Gouds Dagblad | De gespalkte roos
mainImage

De gespalkte roos

21 januari 2021, 11:16 uur
Columns

Column Marianne de Jong |

De gespalkte roos

Op een ongekend laat moment, ruim na Driekoningen, ruim ik de kerstversiering op. Oh, wat is het hier nu kaal! Tijd voor nieuwe bloemen en planten. Tot mijn grote vreugde heeft mijn tuincentrum een oplossing bedacht voor de winkelsluiting: in een marktkraam, grenzend aan de grote hal, is een overkapping gemaakt met daaronder allerlei bossen bloemen en boeketten. Aansluitend, in de open lucht, kun je zelfs planten en bollen kopen. Ik lijk wel een kind in een speelgoedwinkel. Primula’s, die kunnen zowel binnen als buiten en ze zijn zo vrolijk met al hun kleurtjes. Samen met twee potten blauwe hyacinten, die onnavolgbaar verrukkelijk ruiken, bevolken ze al snel mijn ontsmette karretje. Nu nog bloemen.

Er staan soorten te over: ik ga voor gele en witte chrysanten, ook die ruiken heerlijk en ze staan lekker lang. Dan nog iets voor de salontafel, gerbera’s? Of een klein exotisch boeket? Rozen! Met hun dieprode kleur lijken ze mij toe te roepen vanuit hun koude emmer: ‘Neem mij mee, neem mij mee! Je zult er geen spijt van krijgen. Kijk eens hoe stevig we zijn en hoe lang je van ons kunt genieten!’ Rozen dus.

Thuis zet ik de ‘tuin-primula’s even in schuur tot ik ze ga poten. De andere twee gaan naar de eetkamer bij het geel-witte boeket dat al staat te geuren op de grote tafel. De rozen komen in een glazen vaas op de salontafel. Mijn huis kan er weer even tegen. Met een bakkie thee ga ik even zitten. Ik kijk naar de prachtige rode rozen. Ik word er blij van. Iets blijer dan ik de afgelopen dagen ben geweest. Die hebben zich gevuld met zorgen. Zorgen over een dierbare, een van mijn lezers van het eerste uur.

Vrienden en familie proberen de getroffene de juiste zorg te laten krijgen. Het ziet er naar uit dat dat gaat lukken. Daarna zal er nog een lange, moeilijke en hobbelige weg volgen. Een rit die ik al eerder in mijn leven heb afgelegd. Een die ik heb uitgezeten tot het bittere einde. Wordt dit het tweede achtbaan-uitje dat ik opnieuw doormaak? Wil ik dat? Want als het mijn dierbare niet lukt om de behandeling een goed vervolg te geven, weet ik als geen ander wat er wacht. Opnieuw kijk ik naar de rozen, hun geur als troost op afstand opsnuivend.

Als ik vroeger verdrietig was en geen kant meer op kon, zei mijn vader altijd: ‘Poes, ga wat doen!’ Waarschijnlijk wilde hij mijn gezeur niet nog een keer aanhoren en was hij blij dat ik een poosje uit zijn gezichtsveld verdween. Dat dacht ik toen. Later bleek hij gelijk te hebben: blijven zitten met zorgen en verdriet lost niets op. Dus ga ik wat doen.

Mijn aandacht richt zich op mijn torenkamertje, daar is het een puinhoop. Mijn sousafoon, van alle sint- en kerstversiering ontdaan, de reservestoelen (die vorig jaar dus geen functie hadden), kerstslingers, kandelaars, servetten. En de was, heel veel was, weliswaar schoon, maar snakkend naar een strijkbeurt om weer echt mooi voor de dag te kunnen komen.

Na een paar uurtjes kom ik beneden voor een glas verse thee. Héé, wat is dat? Twee van mijn rozen lijken wel wat treurig? Zeker even acclimatiseren, het was ook zo koud buiten. ‘Zet hem op jongens’, zeg ik tegen het treurige tweetal. Die avond dwalen mijn gedachten toch weer af naar de nabije toekomst. Daarom vergeet ik om de rozen in de keuken te zetten, zodat ze ‘s nachts verder kunnen bijkomen. De volgende ochtend ga ik snel naar beneden. Ach, nu hangen er al vier!

Goede raad is duur, ik neem de bos mee naar de keuken, haal de hangende exemplaren er uit en zet ze apart in vers water tegen de koele muur. Met deze steun gaan ze het net redden, hoop ik. ‘Kom op jongens!’, zeg ik, ‘doe je best. Niet opgeven nu, hè?’

Na wat andere klusjes ben ik toch wel nieuwsgierig of mijn reddingsactie resultaat heeft. Eén blik op het treurige kwartet slaat alle hoop de bodem in. Nee, zo gaat het niet lukken. Al pratend tegen de hangende kopjes zoek ik een doosje lucifers en mijn plakbandautomaat. Eén voor één leg ik de rozen op mijn aanrecht, leg voorzichtig een lucifer nèt onder het kopje en plak hem met twee cellotapjes vast aan de steel, die ik wat inkort. Hupsakee: mijn vrolijke boeket van gisteren is nu een soort biedermeier. Alle knopjes fier overeind, van de spalkende lucifers is niets te zien. ‘Zo, nu moet het beter gaan’, zeg ik tegen ze. Een kusje op de vier rode kopjes completeert mijn reddingsactie.

Mijn gedachten dwalen af naar mijn andere geknakte roos. Er bestaan niet genoeg lucifers om die te spalken. De noodzakelijke ondersteuning komt straks van vakbekwame mensen en een beproefd genezingsproces. Dat traject is al niet gemakkelijk, maar het is de tijd daarna die de echte genezing moet brengen. Zo makkelijk als ik mijn rozen kan omringen met zorg, aandacht en liefde, zo moeilijk bereik ik mijn dierbare. Zal dat ooit veranderen? Ik weet niet waarop ik mag hopen.

De volgende ochtend word ik begroet door tien ontluikende dieprode rozen, vastbesloten voorlopig mijn huiskamer te sieren. Zal die andere geknakte roos ooit ook, gespalkt en wel, weer fier overeind staan? Ik hoop het. De wonderen zijn de wereld nog niet uit.

‘De gespalkte roos’ is verschenen in het Gouds Dagblad als column en op de site van de schrijver: Marianne de Jong

Ga voor nog meer leuke, korte verhalen naar: www.coronkels.nl