Het percentage vijftienjarigen dat niet meer bij beide ouders woont is in tien jaar met 10 procent gestegen. In 1997 woonden twee van de tien vijftienjarigen niet gezamenlijk met vader en moeder, vorig jaar waren dat er drie van de tien. In verreweg de meeste gevallen was scheiding de oorzaak, bij minder dan 5 procent het overlijden van een van de ouders, meldt het Centraal Bureau voor de Statistiek.

Volgens het CBS lopen kinderen van ongehuwde ouders een groter risico dat hun ouders uit elkaar gaan dan kinderen van gehuwde ouders. Van de kinderen die aan het begin van 2017 nog met beide, gehuwde ouders woonden, waren bij 1,5 procent eind van het jaar de ouders uit elkaar. Bij kinderen met ongehuwde ouders was dit 3,6 procent.

De kans dat kinderen meemaken dat hun ongehuwde ouders uit elkaar gaan, neemt in de eerste jaren na geboorte toe, maar blijft tijdens de basisschoolperiode stabiel. Bij gehuwde ouders stijgt het risico van een echtscheiding tot het zesde levensjaar van het kind, daarna daalt het.

Van de vijftienjarigen met een Antilliaanse moeder stond eind 2016 bijna twee derde niet ingeschreven op hetzelfde adres als de vader. Bij vijftienjarigen met een Surinaamse moeder gold dit voor iets meer dan de helft. Van de vijftienjarigen met een moeder van Turkse of Marokkaanse herkomst woont ongeveer driekwart nog gezamenlijk met beide ouders.

Ouders beslissen tot en met het vijftiende levensjaar van hun kind bij wie het na scheiding gaat wonen. Is het kind zestien dan mag het zelf bepalen of het kiest voor vader of moeder. Uit eerder onderzoek van de Universiteit van Utrecht en het CBS blijkt dat 70 procent van de kinderen bij de moeder is gaan wonen.