Column Jan Steigenga |

Pesten blijkt hardnekkig fenomeen in het onderwijs

Op 1 augustus 2015 is de zogenaamde Anti-pestwet in het parlement aangenomen en in werking getreden. Deze wet dwingt scholen tot het formuleren van een veiligheidsbeleid, het monitoren van de uitvoering van dat beleid en het aanstellen van een pestcoördinator op elke school. Doel is natuurlijk het pesten op school met wortel en tak uit te roeien.

Nu zijn we bijna drie jaar verder en kan er toch wel met een redelijke onderbouwing een tussentijdse evaluatie plaatsvinden en kan bezien worden welke positieve gevolgen de invoering van die pestwet ons heeft gebracht.

Het Trimbos Instituut en vijf Nederlandse universiteiten hebben in dit kader specifiek onderzoek gedaan naar de effecten van de lespakketten die in het kader van het bestrijden van pesten op school op de markt zijn gebracht.

De resultaten van dat onderzoek zijn ronduit teleurstellend. De vaak methodische ‘pestlessen’ hebben amper een aantoonbare vermindering van het pestgedrag tot gevolg gehad. Het algehele eindplaatje is dat meer dan de helft van de scholen een programma gebruikt dat binnen een jaar geen aantoonbaar effect laat zien.

Wat gaat er dan fout? Hoe kan het zijn dat we er blijkbaar niet in slagen om tot de kern van de problematiek door te dringen? Zijn we niet te methodische, systematisch, structureel en/of afstandelijk bezig? Of moeten we accepteren dat pesten onuitroeibaar is?

Natuurlijk is het zo dat veel kinderen er niet voor uit durven komen, onder de radar proberen te blijven. Dat op zich is best wel moeilijk. Maar in meerderheid is wel zichtbaar welke kinderen gepest worden.

Wat mij betreft is het duidelijk dat er kinderen zijn die als het ware uitstralen dat ze ‘pestbaar’ zijn. Mijn ervaring is dat ook het verplaatsen van kinderen naar een andere school geen oplossing biedt, want vrijwel altijd wordt datzelfde kind binnen de kortste keren ook op de nieuwe school weer tot slachtoffer gebombardeerd.

Waar moeten we naar mijn idee in het kader van pesten aan werken:

  1. Het gepeste kind moet weerbaarder gemaakt worden.
  2. De pester moet bewust gemaakt worden van de effecten van zijn/haar gedrag.
  3. De leerkracht moet in volle omvang uitstralen dat pesten ongewenst en verwerpelijk is.
  4. De ouders moeten actief betrokken worden bij het oplossen van het probleemgedrag van zowel de pester als de gepeste.
  5. Het klimaat in de klas is een zeer belangrijk element. Wie zijn de leiders, wat is de heersende mentaliteit. In dit verband is het zeer zinvol aan het begin van elk cursusjaar een organigram te maken van de klas/groep. Dan krijg je als leerkracht inzicht in de interne verhoudingen en kan je zien wie de leiders zijn en wie buiten gesloten worden. Vanuit de zo verkregen gegevens kan dan verder gewerkt worden aan het niet populair maken van de pesters en het opnemen van gepeste leerlingen in de groep. Dus de klas/groep ook zelf laten werken aan het voorkomen van pestgedrag.

Natuurlijk kan bij dat alles een lespakket gebruikt worden, maar ook hier gaat het in essentie om de kwaliteit van de man of vrouw voor de klas. Uitstraling en betrokkenheid!

 

Jan Steigenga is gepensioneerd directeur van een basisschool