Huisartsen luiden de noodklok omdat de zorg aan ouderen in kleinschalige woonzorghuizen steeds vaker op hun bord terechtkomt, terwijl die naar hun idee eigenlijk in handen zou moeten zijn van een specialist. ,,Wij krijgen dagelijks telefoontjes van huisartsen die het hier heel moeilijk mee hebben”, aldus Garmt Postma, bestuurslid van de Landelijke Huisartsen Vereniging (LVH).

De LVH ziet kleinschalige woonzorginstellingen, zoals bijvoorbeeld twintig oudere bewoners in een omgebouwd monument, ,,als paddenstoelen uit de grond schieten”. Het probleem is dat de overheid de bewoners van zulke huizen beschouwt als thuiswonende ouderen. Voor hen geldt de huisarts als hoofdbehandelaar. Maar volgens de LVH krijgen deze mensen eigenlijk verpleeghuiszorg en zou dan ook een specialist ouderengeneeskunde de hoofdbehandelaar moeten zijn.

Omdat die er vaak niet is, krijgen huisartsen ,,zorgvragen waarvan de complexiteit de huisartsenzorg overstijgt”, aldus Postma. Hij kan zich voorstellen dat als de zorgvraag de huisarts boven het hoofd groeit, die niet in staat is de patiënt te behandelen. ,,Het kan gaan om hele gecompliceerde zorgvragen die niet vallen binnen de bekwaamheid van de huisarts, bijvoorbeeld bij mensen die lijden aan dementie.”

De LVH vindt dat huisartsen wel spoedeisende zorg moeten verlenen aan dit soort patiënten, maar raadt artsen aan om ,,het gesprek aan te gaan” met de zorgondernemer die de huizen exploiteert. Postma: ,,Probeer in onderling overleg te regelen dat er wel een specialist wordt aangesteld.”

Nog beter zou het zijn, aldus de huisartsenvereniging, als de minister van Volksgezondheid wettelijk regelt dat deze patiënten niet zorg van een huisarts maar een specialist moeten krijgen.