Column Teun Rijsdijk |

De sportwereld is er een van heel veel macho’s en ego’s met de daarbij behorende praatjes. Als je er niet in thuis bent en je hoort een sporter of trainer praten dan denk je; waar heeft hij of zij het over?

Een poosje geleden zette ik mijn televisietoestel aan en kwam middenin een gesprek terecht met een schaatsster die na een wedstrijd in Inzell geïnterviewd werd. ‘Ik kwam hier om mijn ding te doen’, zei ze, ‘en ik voel me opgelucht want ik vind dat het gelukt is.’

‘Mijn ding doen’, wat moet ik me daarbij voorstellen?

Veel mensen zeggen als ze niet op een bepaald woord kunnen komen; dinges, maar zou ze dat bedoelen? Ik denk het niet. Ik kon me er wel iets bij bedenken, maar ik geloof niet dat ik daarvoor helemaal naar Inzell zou gaan, ik zou het ook bij lange na niet halen, waarschijnlijk had ik het voor Utrecht al gedaan. Bovendien zou ik, ten aanschouwen van miljoenen kijkers in heel Europa, zoiets zeker niet in het midden op zo’n kouwe ijsbaan doen, dan kan het thuis veel warmer en veel meer privé.

Zou het dat zijn? Ik kwam er niet uit.

Niet alleen sporters maar ook sportverslaggevers kunnen soms heel vreemde dingen zeggen of schrijven. Wat dacht u bijvoorbeeld van; ‘de trainer heeft niets op de bank.’ Vervelend voor die man, ben je dan geneigd te denken. Stel je voor dat zijn wasmachine kapot gaat, dan moet misschien wel hij geld lenen voor een nieuwe. De kenners onder u weten wel beter.

‘Hij heeft een brede bank; We hielden het veld breed; Hij scoorde met zijn chocoladebeen; De keeper zag er niet goed uit; Hij zat niet in de wedstrijd; Hij gaf een diepe bal; De man in het zwart floot voor een kalktrap; Ze speelden met een hangende spits; Gerommel in de zestien; Hij gaf hem geel; Hij mocht voortijdig gaan douchen; Hij liet zijn voeten spreken; Hij had een engeltje op de lat.’ Allemaal uitdrukkingen die iemand eens heeft gelanceerd en nu braaf worden nagezegd.

Ook zo’n mysterieuze is; ‘hij heeft een linkerbeen.’ Eerlijk gezegd snap ik het nut van zo’n opmerking niet. Op zichzelf is het niet echt bijzonder als iemand een linkerbeen heeft, heel veel mensen hebben er een. Sterker nog, heel veel mensen hebben ook nog een rechterbeen. Ik zie daarom de noodzaak van deze opmerking niet in.

Ook trainers zeggen wel eens rare dingen vaak in een uiterste poging om populair over te komen. Een mooi voorbeeld is Leo Beenhakker, een mooie naam voor iemand uit de voetbalwereld, die, vooral als er een camera in de buurt is, zijn uiterste best doet om populaire uitdrukkingen te ventileren. Zijn ‘cup met de grote oren’ is daar een voorbeeld van. Zijn verbale successen waren dan ook minstens even groot als die van zijn trainerschap.

‘We voetbalden op een knollentuin; Daar zakt je broek van af (voetbalt erg lastig); We gingen de teil in (wij vroeger ook, op zaterdagavond); De neuzen moeten dezelfde kant op (van de schoenen?); We kregen een zaadgoal tegen; (daar kun je goalzaadolie van maken die je weer kunt gebruiken bij de fabricage van een zeperd, een woord dat ook hoog in de top tien van trainersuitdrukkingen staat).

Ik stond eens langs de lijn bij een amateurvoetbalwedstrijd van een gerenommeerde vereniging hier in de buurt te kijken toen ik de trainer van de thuisclub hoorde roepen; ‘die kant op’, waarbij hij naar het doel van de tegenstander wees. Kijk, daar moet je nou trainer voor zijn en een zware opleiding voor gevolgd hebben, daar was ik in m’n eentje nou nooit op gekomen.

‘Hij trakteerde hem op geel’, de nietsvermoedende lezer denkt dan dat hij een advocaatje kreeg.

‘Hij ging in gesprek met het ijs’, ook een ijzersterke. Probeer het maar eens, ik denk dat het een erg eenzijdig gesprek wordt.

Nou, meer schieten me op dit ogenblik niet te binnen, ik stop met dit stukje. ‘Ik heb mijn ding gedaan.’

Laat een reactie achter