Column Christiaan van der Kaaij |

Is naar je werk gaan noodzakelijk om je werk te doen?

Met de nieuwe innovatieve technologie en steeds meer digitale mogelijkheden ontstaat er de laatste jaren een nieuwe stroming binnen de kantoortuin: de flexwerker. Met alle bestanden in de cloud zijn dikke ordners voorgoed verleden tijd en er bestaat niet langer iets als ‘je eigen bureau’. Het enige dat de flexwerker nog nodig heeft is een laptop, een oplader en een internetverbinding.

De meningen over of deze trend nou zo’n goede is, zijn enorm verdeeld. Aan de ene kant wordt gesteld dat het flexibel werken leidt tot een gevoel van progressiviteit. Daarnaast geldt ook dat werknemers hun werk interessanter gaan vinden omdat zij nu hun werk zelf kunnen organiseren op de manier die het best bevalt.

De schaduwzijde van flexwerken is het feit dat het niet hebben van een kantoor leidt tot een gebrek aan cohesie en onderling contact op de werkvloer. Als je elkaar niet op kantoor treft, waar tref je elkaar dan? Daarnaast geldt ook nog eens dat flexibel werken leidt tot meer moeite om de grenzen tussen ‘werk en privé’ gescheiden te houden; je kan thuis namelijk net zo makkelijk werken als op kantoor.

Ik denk persoonlijk dat flexwerken iets is dat zeer begrensd ingevoerd dient te worden: het kan en het is goed, maar als het doorslaat raak je als bedrijf de ‘feeling’ met je werkvloer en je werknemers volledig kwijt. En, misschien nog wel vervelender, de werknemers raken hun morele en fysieke verbinding met het bedrijf kwijt wat weer kan leiden tot job-hoppen of een andere hippe term uit de 21ste eeuw.

Doe mij maar een bureau, misschien nog wel met een dikke ordner ook.