Column Teun Rijsdijk |

Het schip met dubbeltjes

Zoals zovelen van mijn leeftijdgenoten, ik ben geboren in 1942, heb ik mijn jeugd in grote eenvoud doorgebracht. Maar ik wist niet beter, vlak na de oorlog was iedereen arm of bijna arm.
Je droeg kleren waar een oudere broer uitgegroeid was, een sinaasappel, als je hem al kreeg, werd doorgesneden en om de vijf cent zakgeld die ik per week kreeg, moest regelmatig gevraagd worden.

Wij hadden thuis zeven kinderen en dat was geen vetpot.
Toch heb ik dat nooit als een vervelend iets ervaren, ik wist niet beter en dan mis je ook niets.
Als ik nu zie in wat voor weelderige wereld kinderen tegenwoordig opgroeien ben ik bang dat, als de economie nog eens instort of er iets rampzaligs gebeurt, er vele kinderharten gebroken gaan worden. En niet alleen die van kinderen.

De Nederlandse taal telt veel uitdrukkingen die met geld te maken hebben, zowel negatief als positief. Zo kun je iemand ‘voor geen cent vertrouwen’, of ‘eieren voor je geld kiezen’ of ‘geld als water’ hebben.
Geld heeft ook veel eigenschappen bijvoorbeeld ‘geld wat stom is maakt recht wat krom is’ of ‘geld stinkt niet.’ Iemand kan ‘leggende gelden’ hebben of, ‘geld als water’ maar dat wil nog niet zeggen dat hij het geld ‘laat rollen’ want ‘voor hetzelfde geld’ valt hij ‘dood over een cent’ omdat hij altijd ‘voor een dubbeltje op de eerste rij wil zitten.’ ‘Geen centje pijn’ het ‘kost een paar stuivers’ maar je moet het niet ‘in het water gooien’ maar ‘oppotten’ heeft ook geen zin want: ‘een doodshemd heeft geen zakken.’
’De eerste klap is een daalder waard’ maar ik ga ‘geen goed geld naar kwaad geld gooien.’

Mijn moeder had verschillende uitdrukkingen over geld die je tegenwoordig niet meer hoort.
Als wij om iets vroegen wat geld kostte, zei ze steevast: ‘als het schip met dubbeltjes komt,’ of: ’dat kan bruin niet trekken’, en als je ergens goed zat had je ‘een plek van een daalder.’
(Voor de jongeren onder u: een daalder was f.1,50, omgerekend naar nu ca € 0,70).
Je zou er dus van uit kunnen gaan dat die plek nou ook weer niet zo goed was maar in die tijd kreeg ik vijf cent zakgeld per week en voor mij was die daalder meer dan een half jaar zakgeld.
Een daalder moet je niet verwarren met een rijksdaalder die f.2,50 waard was, nu ca € 1,20.
Een populair liedje in mijn jeugd was: ‘Als je voor een dubbeltje geboren bent dan word je nooit een kwartje.’ Een fatalistisch liedje vond ik altijd, alsof je er toch niks aan kon doen hoe het liep in het leven.
Een kwartje bestaat ook al niet meer al kennen we nog wel steeds de uitdrukking ; ‘het kwartje viel’ dat wil zeggen we snapten het opeens.

‘Daar geef ik geen cent voor’, nog zo’n ouwe. De cent is ook al enkele jaren geleden afgeschaft. In mijn jeugd kocht je daar nog een toffee voor. Je kon in deze uitdrukking die cent ook nog verruilen voor een stuiver. Vijf keer zoveel maar het betekende hetzelfde.
‘Een dubbeltje op zijn kant’, nog een. Een hachelijke zaak, het kon naar links vallen maar ook de andere kant op naar rechts.

Allemaal uitdrukkingen uit een tijd dat we nog ons eigen mooie geld nog hadden.
Maar die komt nooit meer terug, daar durf ik ‘een duppie’ om te verwedden.
Als ik er tenminste nog ergens een vinden kan.