Binnenkort gaan we weer griepprikken.
Bijna iedereen in mijn familie is er vorig jaar ziek van geweest. Mijn vrouw had 39.2, wat ’s winters toch een aantrekkelijke reden is om dicht tegen haar aan te kruipen. De volgende morgen was ik nog even gezond. Zelfs een snotneus kon er niet af.
Ik was niet geprikt.
Twee weken lang hebben thuis alle kamers op een kier gestaan. Daartussen was de gang. De enigen die daar liepen waren de hond en ik. De rest lag te jammeren en te commanderen.
Op de gang had ik mijn marktkraam. Ik handelde in fruit, anijsmelk en beschuiten. Ook distribueerde ik tissues, natte washandjes en stripbladen. Ik was de ene kamer nog niet uit of uit de andere klonk een nieuwe bestelling.
Het was een estafette waar geen eind aan kwam. Na vier dagen gingen ze elkaar appen en vanzelfsprekend werd aangenomen dat ik voor de batterijen zorg droeg. De brutaalsten fotografeerden me en de allerbrutaalsten voegden mijn dienstbaarheid aan Facebook toe.
Ik had een warm kloppend hart voor alle noden.
Tegelijkertijd had ik de pest in. Want als iedereen voor pampus ligt, wil ik erbij horen. Griep moet je in saamhorigheid kunnen delen. Dat is gezellig. Je moet vanuit alle kamers het gezamenlijk grieplijden kunnen uitwisselen. In de militaire barak at je vroeger bij wijze van spreken de kruimels uit elkaars navels. Dat was nog eens solidariteit.
Bij een goeie griepepidemie moet het ook één grote pestbende kunnen zijn. De nachtkastjes moeten uitpuilen met pillen en poeders. De grond hoort voor ieder wat wils met Libelles en Playboys bezaaid te zijn.
Griep is luchtigheid. Ook de pot moet naast het bed staan. Desnoods decoratief. Liefst ook een mandje voor de vuile tissues. Dat is griep. Badend in het zweet wakker worden met naast je een klodder yoghurt, bijna hard. Op die manier maak je van een onheilspellend gebrek aan vitaminen nog iets wat de moeite van het ziekzijn waard is.
Een weekje griep per jaar lucht op. Griep is de versnapering onder de ziektes. Het is een fluweelzachte inzinking. Iedereen heeft er recht op. Helaas kan ik me niet herinneren wanneer die mij ten deel is gevallen. Altijd gaat die griep aan mijn deur voorbij, steeds een deurtje verder.
Daar komt nu een einde aan.
Ik haal de griepprik ook. Bovendien geef ik mijn huisarts op hoe lang ik ziek wil zijn. Dat is wanneer de zwarte Pietendiscussie begint. Dan hoef ik dat gezeik tenminste niet aan te horen.
Ik schrijf deze regels onder aan de trap, want ik zit in spanning op de uitnodiging te wachten. Die haalt straks de mat niet eens.

Laat een reactie achter