Column Christiaan van der Kaaij |

Een stille zomer zonder koorts

Op 14 juni barst in onder meer Saoedi-Arabië, Egypte, Iran, Peru, Servië en Panama de gekte los. Waarom daar wel en hier, in Nederland, niet? Omdat deze landen een prestatie hebben geleverd die voor Nederland te hoog gegrepen was. Ze hebben zich namelijk geplaatst voor het Wereldkampioenschap voetbal.

We kennen natuurlijk allemaal de soap rondom de heren Blind, Hiddink en Advocaat, of waren het wellicht alweer vergeten, maar toen ik er gisteren achter kwam dat het WK toch al over een tijdje begint, deed dat toch een beetje zeer. Geen compleet oranje wijken, enorme schermen op de grote pleinen of lange reclames op de televisie. Waar we in de voorgaande jaren (natuurlijk met uitzondering van 2016) al zo’n twee maanden voor aanvang van de eerste wedstrijd via de televisie, kranten en sociale media zwaar leden aan WK-koorts, lijkt het nu alsof we aan een soort schaamvolle stilte doen: we mogen niet deze zomer, we doen eventjes niet mee.

Het bijzondere is eigenlijk wel dat ik het hele WK was vergeten tot de sterspeler van Liverpool in de finale van de Champions League een tackle te verduren kreeg, naar op zijn schouder terechtkwam en de commentator gelijk begon te twijfelen aan zijn deelname voor Egypte. En sinds dat moment baal ik er weer van dat we dit jaar weer niet gaan en dat de oranjegekte niet is uitgebroken.

Ik hoop de komende tijd wel wat wedstrijden mee te kunnen pakken. De poulewedstrijden niet, die zijn me niet spannend genoeg, maar de knock-out fase is voor iedere voetballiefhebber toch wel een feestje. En eigenlijk hoop ik dat één of meer van de landen die ik aan het begin noemde het enorm ver gaat of gaan schoppen; en dat het niet weer een feestje van Duitsland, Frankrijk, Italië, Portugal, Brazilië of Argentinië wordt. Maar de échte oranjekoorts, dat zal weer minstens twee jaar duren.