Het kabinet zoekt een oplossing voor de strop rond het afschaffen van de dividendbelasting. Dat kost een half miljard meer dan verwacht. Waar draait het allemaal om?

Bedrijven betalen dividendbelasting wanneer ze een deel van hun winst uitkeren aan de aandeelhouders. Die winstuitkering heet dividend, vandaar de naam.

Nu bedraagt het tarief van de dividendbelasting nog 15 procent. Bedrijven die zelf dividend ontvangen van andere bedrijven kunnen de ingehouden dividendbelasting verrekenen met hun vennootschapsbelasting, oftewel de belasting die ze betalen over hun winst. Een particulier kan het verrekenen met zijn inkomstenbelasting.

Het nieuwe kabinet wil de dividendbelasting echter afschaffen. Dat zou het voor buitenlandse bedrijven aantrekkelijker maken om zich in Nederland te vestigen en voor Nederlandse bedrijven verdwijnt er dan veel administratief gedoe.

De maatregel maakt deel uit van een breder pakket aan belastingwijzigingen. Om brievenbusconstructies tegen te gaan, wil het kabinet tegelijk een belasting op rente en royalty’s invoeren, bedoeld voor uitgaande geldstromen naar landen met zeer lage belastingen.

Oppositiepartijen zijn het niet eens met het schrappen van de dividendbelasting. Dat geld kan volgens hen beter aan andere zaken worden besteed. De kosten voor afschaffen lopen op. Door de sterke economie komt er meer geld binnen via de dividendbelasting, dit jaar vermoedelijk 1,9 miljard euro. Eerder was het kabinet uitgegaan van 1,4 miljard.

Ook is in de Tweede Kamer verbolgen gereageerd op berichten dat grote bedrijven als Shell, AkzoNobel, Unilever en Philips tijdens de formatie druk zouden hebben uitgeoefend op de onderhandelaars om de heffing te schrappen.

Europees ligt de discussie rond de dividendbelasting eveneens gevoelig, ook in het kader van de vele onthullingen over belastingontwijking de afgelopen jaren. Door deze taks af te schaffen zou Nederland zich volgens critici immers nog meer op de kaart te zetten als land dat belastingontwijking mogelijk maakt.