Niet ver van mijn ouderlijk huis lag in een zijstraat een autosloperij. De toegang bestond uit een poort tussen rijtjeshuizen en meteen boven die doorgang woonde ook de kinderrijke slopersfamilie. Als je die poort in liep, zag je een binnenterrein met niets anders dan opgestapelde autowrakken. Wel drie, vier wagens boven op elkaar. Het was er een vieze troep van weggelekte smeerolie, benzine en modder. Om de haverklap was er ook brand op het terrein en klonken weer de sirenes van de uitgerukte spuitgasten in de straat.
We hebben het over de jaren ’60 en ’70. Evenals mijn ouderlijk huis en alle nabije zijstraten bestaat die sloperij al lang niet meer. Maar enkele van de sloperskinderen zaten bij mij op de lagere school en – al waren ze er vaker niet dan wel – ik heb ze nog haarscherp op mijn netvlies: hun kleding, armen, haren en gezichten zaten vaak onder de smeer. Alsof ze uit een stripboek kwamen. Een niet onbelangrijk detail: die kinderen stonken ook een uur in de wind.
Die herinneringen hebben lang mijn beeld van autosloperijen bepaald. Het werd halverwege de jaren ’90 nog eens versterkt toen ik met een vriend – op zoek naar een linkerzijspiegel voor een Fiat Spider – een sloperij nabij een bedrijventerrein in de regio bezocht. Er lagen hier geen woonhuizen in de buurt, maar verder verschilde het nauwelijks van de sloperij uit mijn jeugd. Opgestapelde autowrakken zover het oog reikte.
Eigen gereedschap
Bij de ingang hing de beheerder onderuit in een campingstoel. Naast zich een kratje bier. Op de vraag of hij het betreffende onderdeel had, haalde hij zijn schouders op en wees vervolgens met één hand naar een gangpad tussen de wrakken. “Helemaal doorlopen naar achteren, daar staat ergens links een rode Fiat-sportwagen. Of het een Spider is, wee’k nie, maar dat zie je snel genoeg. Zelf eraf halen, met eigen gereedschap. Ik leen niks uit.” Daarop zette hij een pijpje bier aan zijn mond.
Na lang zoeken vonden we niet links, maar juist rechts de rode Fiat-sportwagen. Geen Spider, maar een Barchetta. En de spiegels zaten er al niet meer op. Toen we – enigszins gepikeerd – de beheerder lieten weten dat we niet geslaagd waren en dat er van zijn informatie niet veel klopte, haalde hij weer zijn schouders op en mompelde iets van: “Ik ken moeilijk alle auto’s hier in me kop hebben.” Daar had hij wel een punt.
Motorkap
Vele, vele jaren later heb ik onderdelen nodig voor mijn gehavende 34 jaar oude Volvo 245; de mooiste gezinsauto ooit gemaakt. Tijdens de restauratie van de wagen, enkele jaren terug, heb ik kennisgemaakt met diverse bedrijven die splinternieuwe koplampen, clignoteurs, een grille etc. kunnen leveren, maar een nieuwe motorkap en een voorfront met sluitpaneel worden een ander verhaal. Dus tik ik bij Google in: motorkap Volvo 245.
Ik kom meteen bij een site die aangeeft welke autosloperijen het begeerde onderdeel hebben. Als ik naar de websites van die bedrijven ga, weet ik niet wat ik meemaak. Er staan foto’s van het betreffende onderdeel, soms ook informatie over de ‘donorauto’, er wordt aangegeven wat de staat van het onderdeel is en last but not least staat er soms bij in welke stelling en in welk vak van het bedrijf het object te vinden is.
De moderne autosloperij heet ook geen sloperij meer, maar demontagebedrijf. De nadruk ligt niet op goedkoop vervangen, maar op duurzaam recyclen. Dat is natuurlijk makkelijke marketingpraat, maar het hergebruik van bestaand materiaal valt niet te ontkennen. In mijn geval is het ook pure noodzaak. Want ik kan wel aan een nieuwe imitatiegrille of koplamp komen, maar een motorkap is een ander verhaal. Tot mijn vreugde zie ik een donorauto uit hetzelfde bouwjaar en in dezelfde antraciet metallic kleur bij een demontagebedrijf in de buurt van Rotterdam.
De eerste indruk is goed. Twee mannen achter een imposante balie met computerschermen voor hun neus. Eentje neemt me spoorslags mee naar de beoogde wagen, die, gescheiden door houten balken, op een andere wagen is gestapeld. Als ik opsom wat ik kan gebruiken, is het enthousiasme echter niet groot. Het kan niet op heel korte termijn worden gedemonteerd, zelf mag ik er niet aan komen en als ik de totaalprijs van mijn verlanglijstje te horen krijg, neemt mijn belangstelling snel af.
Friesland
Gelukkig zit er in Friesland een handelaar in onderdelen, uitsluitend voor Volvo en Saab. Op zijn website hoef ik mijn kenteken maar in te tikken en ik krijg meteen – gerubriceerd op carrosserie, elektronica, interieur, koelsysteem etc. – te zien wat geschikt is voor mijn auto. De handelaar blijkt een liefhebber, weet meteen dat het door mij gekozen zijpaneel niet geschikt is voor mijn auto, maar heeft er nog eentje – die nog niet op de site stond – die wel past. Voor een alleszins schappelijke prijs wordt alles de volgende dag op een pallet geladen en de dag daarop bij mijn garage afgeleverd.
Als ik daar ’s middags langsga om te kijken wat de staat van de slooponderdelen is, valt mijn Volvo nergens te bekennen. Na een kwartier komt Mustafa met een collega aangereden. Ze hebben mijn auto zojuist bij de spuiter afgeleverd. Twee dagen later kan ik mijn wagen ophalen. Ik weet niet wat ik zie. Exact een week nadat een falende rembekrachtiging een botsing veroorzaakte, staat de Volvo 245 er weer bij alsof er nooit iets is gebeurd.
Voor alle zekerheid heb ik wel de rembekrachtiger vervangen. Niet door een exemplaar van de sloop, maar door een hagelnieuwe.