Huishoudens moeten na verkiezingen steevast meer belasting betalen dan politieke partijen in hun verkiezingsprogramma’s voorspiegelen. Bedrijven komen er financieel juist iets gunstiger uit. Die conclusies trekt Wimar Bolhuis van de Universiteit Leiden uit onderzoek waarop hij donderdag promoveert.

Econoom en bestuurskundige Bolhuis onderzocht de periode van het kabinet Lubbers-II, dat in 1986 aantrad, tot en met het huidige kabinet Rutte-III. Hij merkt op dat de onderhandelaars over het algemeen wel in lijn met hun verkiezingsprogramma handelen tijdens formaties. Maar plannen voor lastenverlichting sneuvelen dikwijls, onder meer doordat de overheidsuitgaven meestal hoger uitvallen: gemiddeld geven partijen 3 miljard euro meer uit dan ze eigenlijk van plan waren. Waarschijnlijk komt dat doordat iedere coalitiepartij iets moet worden ‘gegund’.

Gemiddeld valt de rekening voor huishoudens, met name die met een hoog- of middeninkomen, volgens de promovendus opgeteld 4 miljard euro hoger uit dan voorgesteld in de verkiezingsprogramma’s van deelnemende partijen. Bedrijven betaalden in de onderzochte periode gemiddeld juist 300 miljoen euro minder.

Vooral aan sociale zekerheid, openbaar bestuur, zorg en internationale samenwerking gaven opeenvolgende kabinetten extra geld uit. Het onderwijs kwam er gemiddeld 600 miljoen slechter af dan in de verkiezingsprogramma’s was voorgesteld. Uitkeringsgerechtigden en mensen met lage inkomens komen er vaak iets gunstiger uit. Politici willen volgens de onderzoeker ”een evenwichtig koopkrachtbeeld” presenteren.

Bolhuis constateert dat tijdens de verkiezingscampagne de burger centraal staat, aangezien zijn of haar stem bepalend is. ,,In de kabinetsformatie hebben de politieke onderhandelaars andere belangen en overwegingen en lijkt het bedrijfsleven door te lobbyen de besluitvorming te beïnvloeden.”