Justitieminister David van Weel (VVD) heeft excuses aangeboden voor opmerkingen die hij maakte over een Rekenkamer-rapport over ernstige misdrijven waar justitie niet achteraan ging. Met zijn "nuancering" wekte hij de indruk dat hij het rapport in twijfel trok of bagatelliseerde, en dat was niet de bedoeling, zei hij in het debat over de kwestie.
Van Weel: "Wat ik heb gewild, was opkomen voor die mensen in de strafrechtketen die zeiden: 'Ja, het is niet zo dat wij zomaar aangiftes terzijde gooien, als we daar iets mee kunnen'."
Meerdere Kamerleden zeiden eerder op de avond dat ze het debat liever zouden voeren over het inhoudelijke vraagstuk van aangiftes die blijven liggen. Van Weel sloot zich daarbij aan. "Het spijt me dat dit debat nu vooral gaat over de methodes en de cijfers", zei hij. "Dat trek ik mezelf aan, omdat ik daar zelf aan heb bijgedragen." Hij vindt dat hij de discussie met de Rekenkamer verder had moeten voeren om tot een "geharmoniseerd beeld" te komen.
Meldingen
De discussie gaat over zaken die zijn blijven liggen. Van Weel zei in een vorig debat dat het grotendeels ging om meldingen in plaats van aangiften, waarbij de politie weinig aanknopingspunten voor opsporing had. De Rekenkamer sprak hem tegen en zei dat hij de Kamer op het verkeerde been had gezet.
Rekenkamer-president Pieter Duisenberg zei dinsdag op NPO Radio 1: "We doen dit ook liever niet. Het feit dat we het hier opschrijven, betekent dat we het achter de schermen hebben geprobeerd om dit gecorrigeerd te krijgen. Dat is niet gelukt."
'Valt me zwaar'
"Het valt me zwaar" omdat het gaat om slachtoffers van ernstige misdrijven, zei PRO-Kamerlid Songül Mutluer. Ze vroeg de minister om toe te geven dat hij de Kamer "door zijn stelligheid heeft misleid".
Nee, antwoordde Van Weel. "Ik heb de Kamer niet misleid, ik heb de Kamer ook niet willen misleiden." Hij hield vol dat de politie in "verreweg de meeste gevallen" van de zaken die door bewuste keuzes blijven liggen "nul aanknopingspunten" heeft.
Door: ANP