Gouds Dagblad | In de hand

In de hand

mainImage

Column Marianne de Jong |

In de hand

We hadden het allemaal in de hand. Vóór Corona. De dagelijkse boodschappen, de dagelijkse file, het wekelijkse bezoekje aan het verpleegtehuis, de vakantie naar het zonnige Zuiden aanbetaald. Van een leien dakje. De WHO stelde ons gerust: ‘Zo’n virus is niet 1-2-3 in Europa, het moet eerst China nog uit zien te komen. We hebben het allemaal in de hand, geen zorgen.’

En dus gingen we onbezorgd op wintersport, feestten we tijdens de après-ski en waren we precies op tijd terug voor het Carnaval. Beestenweer, helaas. Optochten afgelast vanwege de storm, de regen zorgde voor de rest: natte pakken en overvolle kroegen. Héé, we zijn niet van suikergoed, een pint in de hand en gaan met die banaan. Alaaaaaaaf!!!

Ja, we hadden het in de hand, onzichtbaar, ongrijpbaar en vliegensvlug. Letterlijk. Meegevlogen in volgestouwde metalen vogels van de ene kant van de aarde naar de andere, meegelift in overvolle dampende nachttreinen uit besneeuwde oorden. Van het ene bierglas naar het andere, van de ene wang op de andere, van de ene hand in de andere.

Plotseling hadden we het niet meer in de hand. Handen schudden was uit den boze, eerst deden we nog elleboogklopjes, later maakten onze handen hartjes in de lucht, een zichtbaar teken van verbondenheid met onze dierbaren, die ineens onaantastbaar werden. Moesten zijn. Voor ons aller welzijn.

Met een tablet in de hand zochten we naar manieren om samen te komen. Via Meet, Teams of ZOOM. Met name die laatste moest hals over kop zijn slechte reputatie redden en updates verspreiden. Van een achterkamertje-app naar meer dan 100 miljoen downloads, het kostte ze bijna de kop.

Iedereen met een aandeel ZOOM kon gelijk naar de Bahama’s. Als dat had gekund.

Samen met mijn orkestmaatjes leerde ik muziek maken via internet. Met vallen en opstaan, maar we kregen het voor elkaar. Op de wekelijkse repetitie-avond kwamen we in onze huiskamers samen. Zo’n mooi gezicht: al die vertrouwde gezichten in een kadertje. Met hun naam erbij. Mijn naam klopte niet, maar samen kwamen we eruit. Het was leuk, maar ongelofelijk vermoeiend, zo’n bijeenkomst via het scherm.

Mooi dat zoiets nu mogelijk is. Nog mooier was het moment van afscheid: die handjes. Iedereen die weekend ging vieren zwaaide naar de anderen. Die zwaaiden dan allemaal terug. Onze handen waren veel te groot. Ze kwamen veel dichter bij de mini-camera’s van de laptop of tablet dan de hoofden en waren dus belachelijk uitvergroot. En ze zwaaiden ook zo snel. Wat een gek gezicht.

Die handen zeiden meer dan de gezichten: ‘Dahag, dahag’, zwaaiden die handen. ‘Tot volgende week, blijf gezond, hou je haaks, dit gaat voorbij.’ Wanneer? Daar durfde niemand over te beginnen. En voor hoelang? Daar wilden we het al helemaal niet over hebben.

Onze handen praten duidelijker taal dan onze monden. Ze zijn ook eerlijker. Vraag het maar aan Irma. Ons aller Irma die ons de rijkdom van onze handen liet zien. In gebarentaal wordt het virus ineens dreigend en hamsteren asociaal. De rijkdom die handen ons laten voelen. Het genot dat handen ons laten beleven. De ene vogel in de hand, die beter is dan tien in de lucht. Hadden we ooit kunnen vermoeden dat we dat aan den lijve zouden meemaken?

Het einde van een beroerd tijdperk komt in zicht. Hoe snel?

Dat hebben we zelf in de hand.